Etiquette = Gedragsregels
Op de golfbaan:
De kledingvoorschriften gelden voor alle golfers, dus ook voor de jeugdspelers. Dat betekent dus dat spijkerbroeken (hoe schoon en nieuw ze ook mogen zijn) niet zijn toegestaan in de baan.
Op de afslagplaats:
1. Maak een merkteken op je bal, dan kan je altijd je eigen bal herkennen.
2. Tel je stokken, je mag er niet meer dan 14 bij je hebben.
3. Sta stil en praat of fluister niet als iemand afslaat.
4. Kijk goed waar de bal van je medespeler naar toe vliegt.
5. Loop niet met je golfkar over de afslagplaats (de tee).
6. Maak geen oefenswing op de afslagplaats, maar er naast.
7. Als je naast de afslagplaats oefenswings maakt, zorg er dan voor dat je dat NOOIT in de richting van andere spelers doet.
8. Sla je bal pas als de spelers voor je ver genoeg weg zijn, en wacht ook met spelen als er greenkeepers aan het werk zijn, wel of niet met machines. Ze zien je echt wel en zullen je een seintje geven als je mag spelen.
Op de baan:
1. De speler die het verst van de hole ligt moet het eerst spelen
2. Zorg ervoor dat je golfkarretjes dichtbij je staat, dat voorkomt een hoop heen en weer geloop. Een goede plaats is op een afstand van een meter recht voor je neus. Als loop te praten zorg er dan voor dat spelers op anders holes je niet kunnen horen.
3. Leg uitgeslagen plaggen terug en duw ze aan, óók in de rough.
4. Sla je bal pas als je de spelers voor je niet meer met je bal kan raken. Als er greenkeepers aan het werk zijn, wacht dan totdat zij je een duidelijk teken geven dat je mag spelen.
5. Als jouw bal, of die van je medespelers, toch iemand anders dreigt te raken omdat je scheef hebt geslagen, roep dan een paar keer zo hard mogelijk “FORE”
6. Als je zelf iemand hard “FORE” hoort roepen, draai je dan zo snel mogelijk met je rug naar de roeper toe, buig voorover en bescherm de achterkant van je hoofd en nek met je handen. Ga niet kijken wier er FORE roept, voordat je het weet krijg je misschien een bal op je neus
In bunkers (een bunker wordt ook een “hindernis” genoemd)
1. Loop een bunker in vanaf de laagste kant en loop er ook weer zo uit.
2. Hark al je voetstappen en andere onregelmatigheden in de bunker aan nadat je je bal eruit hebt gespeeld.
3. Leg de hark terug aan de zijkant van de bunker met de tanden naar beneden en de steel richting de afslagplaats. Leg de hark nooit voor of achter de bunker.
Bij en op de green
1. zet je golfkarretje alvast in de richting van de volgende afslagplaats en loop nooit met je golfkar tussen een bunker en de green. Als je een draagtas bij je hebt leg die dan niet op de green maar ernaast.
2. Kijk, voordat je gaat putten, of je met je bal een “pitchmark” (deuk in de green veroorzaakt door je bal) heeft gemaakt en repareer die. Je mag ook andere pitchmarks repareren.
3. Als iemand aan je vraagt of je de vlaggenstok wil bewaken, doe dat dan met een gestrekte arm en zorg ervoor dat je s chaduw niet voer zijn of haar puttinglijn valt. Sta niet te dicht bij de hole.
4. Stap niet op je eigen puttinglijn of op die van een ander. Een puttinglijn is de lijn die je wil dat je bal volgt nadat je put en loopt vanaf je bol tot de hole maar niet voorbij de hole.
5. Als de vlaggenstok niet in de hole hoeft te blijven staan, leg hem dan voorzichtig neer aan de rand van de green. Je moet de vlaggenstok niet laten vallen of naar de zijkant gooien, daardoor kan je de graasmat van de green ernstig beschadigen.
De kledingvoorschriften gelden voor alle golfers, dus ook voor de jeugdspelers. Dat betekent dus dat spijkerbroeken (hoe schoon en nieuw ze ook mogen zijn) niet zijn toegestaan in de baan.
Op de afslagplaats:
1. Maak een merkteken op je bal, dan kan je altijd je eigen bal herkennen.
2. Tel je stokken, je mag er niet meer dan 14 bij je hebben.
3. Sta stil en praat of fluister niet als iemand afslaat.
4. Kijk goed waar de bal van je medespeler naar toe vliegt.
5. Loop niet met je golfkar over de afslagplaats (de tee).
6. Maak geen oefenswing op de afslagplaats, maar er naast.
7. Als je naast de afslagplaats oefenswings maakt, zorg er dan voor dat je dat NOOIT in de richting van andere spelers doet.
8. Sla je bal pas als de spelers voor je ver genoeg weg zijn, en wacht ook met spelen als er greenkeepers aan het werk zijn, wel of niet met machines. Ze zien je echt wel en zullen je een seintje geven als je mag spelen.
Op de baan:
1. De speler die het verst van de hole ligt moet het eerst spelen
2. Zorg ervoor dat je golfkarretjes dichtbij je staat, dat voorkomt een hoop heen en weer geloop. Een goede plaats is op een afstand van een meter recht voor je neus. Als loop te praten zorg er dan voor dat spelers op anders holes je niet kunnen horen.
3. Leg uitgeslagen plaggen terug en duw ze aan, óók in de rough.
4. Sla je bal pas als je de spelers voor je niet meer met je bal kan raken. Als er greenkeepers aan het werk zijn, wacht dan totdat zij je een duidelijk teken geven dat je mag spelen.
5. Als jouw bal, of die van je medespelers, toch iemand anders dreigt te raken omdat je scheef hebt geslagen, roep dan een paar keer zo hard mogelijk “FORE”
6. Als je zelf iemand hard “FORE” hoort roepen, draai je dan zo snel mogelijk met je rug naar de roeper toe, buig voorover en bescherm de achterkant van je hoofd en nek met je handen. Ga niet kijken wier er FORE roept, voordat je het weet krijg je misschien een bal op je neus
In bunkers (een bunker wordt ook een “hindernis” genoemd)
1. Loop een bunker in vanaf de laagste kant en loop er ook weer zo uit.
2. Hark al je voetstappen en andere onregelmatigheden in de bunker aan nadat je je bal eruit hebt gespeeld.
3. Leg de hark terug aan de zijkant van de bunker met de tanden naar beneden en de steel richting de afslagplaats. Leg de hark nooit voor of achter de bunker.
Bij en op de green
1. zet je golfkarretje alvast in de richting van de volgende afslagplaats en loop nooit met je golfkar tussen een bunker en de green. Als je een draagtas bij je hebt leg die dan niet op de green maar ernaast.
2. Kijk, voordat je gaat putten, of je met je bal een “pitchmark” (deuk in de green veroorzaakt door je bal) heeft gemaakt en repareer die. Je mag ook andere pitchmarks repareren.
3. Als iemand aan je vraagt of je de vlaggenstok wil bewaken, doe dat dan met een gestrekte arm en zorg ervoor dat je s chaduw niet voer zijn of haar puttinglijn valt. Sta niet te dicht bij de hole.
4. Stap niet op je eigen puttinglijn of op die van een ander. Een puttinglijn is de lijn die je wil dat je bal volgt nadat je put en loopt vanaf je bol tot de hole maar niet voorbij de hole.
5. Als de vlaggenstok niet in de hole hoeft te blijven staan, leg hem dan voorzichtig neer aan de rand van de green. Je moet de vlaggenstok niet laten vallen of naar de zijkant gooien, daardoor kan je de graasmat van de green ernstig beschadigen.